Herfstgasten DSR 3

herfstgasten

Welkom bij herfstgasten. De eerste Herfstgast van dit seizoen is een befaamd en gevreesd criticus van Ikjes:
De Schrijvende Rechter


In een maandvullend programma mag een interessante Nederlander, Vlaming of Nederlandssprekende buitenlander zijn of haar favoriete films/boeken/tv-programma’s/tijdschriftartikelen samenstellen. De gekozen elementen worden hier in een door de gast vast te stellen tijdmaat getoond en aan de hand daarvan wordt de gast geïnterviewd door de bezoekers van dit blog.

Pingback: Herfstgasten DSR 2

24 Responses

  1. De Schrijvende Rechter

    Een aantal literaire fragmenten. Heerlijke negentiende-eeuwse kneuterigheid met een woordenrijkdom die bijna geheel is verdwenen. Vermaak voor lieden als Godfried Bomans tot DSR, die erdoor zijn geschraagd, gesticht, gevormd en vermaakt.

    Op verzoek van onze L. beginnen we met een stukje Camera Obscura. (Her)lees dat boek!

    We beginnen met de genoegens van een winter buiten:

    Wilt gij nog een andere tegenstelling? Ja, vergun er mij nog ééne; gij houdt misschien niet van tegenstellingen; maar laat ik u nog op deze ééne onthalen; zij zal treffend zijn. Maar nu verbeeld ik mij u weder als steeman, en gij woont in Amsterdam of te ’s Gravenhage.

    Het is in het laatst van Februari. In uwen kring, in uw cercle, in uw sociëteit, hoe wilt gij? misschien wel in uw huis, heeft zich, onder al de over-sluieringen der étiquette en ontsluieringen der caquets, een droevig drama ontwikkeld. De schoone Emmeline C. was op alle de feesten van dezen winter ‘reine du bal’. Zij werd gefêteerd; zij werd geadoreerd. Hare moeder was trotsch op haar; zij was trotsch op zichzelve. Op de soirée van mevrouw v. W. ontmoette haar de jonge Van Staten en maakte ‘onbegrijpelijk veel werk van haar’. Op het concert van – noem eenen onovertrefbaren uit de tienduizenden onzer dagen! – was het in het oog loopend hoe hij om haar heen fladderde. Op het bal ten uwen huize (waar men zich zoo allercharmantst geamuseerd heeft, lieve mevrouw!) en op al de casino’s, week hij nauwelijks van hare zijde, was onbegrijpelijk ‘aux petits soins’, en men heeft zijn oogen zien vonkelen als tijgeroogen als zij met een ander walste. Deze jonge Van Staten had een zeer innemend uiterlijk, zeer goede uitzichten vóór zich, en een zeer respectabele familie achter zich; wat wonder zoo zij ten laatste, door een weinigje te boudeeren, weten wilde wat hij vóórhad! Wat doet het monster op de laatste soirée, die hij met haar bijwoont? Hij ziet haar nauwelijks aan; met een stijve buiging vraagt hij haar ter nauwernood hoe zij vaart; als zij, op aller aandrang behalve de zijne, zich aan de piano zet en zingt, ziet zij hem, in den spiegel, die daarboven hangt, geabsorbeerd in een gesprek – met een andere schoone? Neen; met heeren, met een geleerde, met een diplomaat. En, een oogenblik later, neemt hij de kaart op voor eene bejaarde dame, die, daar een andere bejaarde dame en twee bejaarde heeren het haar in ’t omberen te lastig maken, hem verzocht heeft haar eens af te lossen. Den geheelen avond geen woord, geen blik van hem voor de schoone Emmeline; en den anderen dag het gerucht door de stad, dat zijn engagement met de freule E. te X., dat reeds sedert dezen zomer gehangen moet hebben, er dóór is. – Het hart der arme Emmeline is gebroken… neen! vergiftigd. Van dezen oogenblik af is de gansche wereld haar geveinsdheid en mommerij, en het geheele mannengeslacht louter valschheid. Echter wil ook zij een mom dragen en evenzeer veinzen. Maar kan zij het weren dat al hare vriendinnen haar in hare bijeenkomsten beklagen, en dat zij, weken lang, onder den titel van ‘het meisje dat infaam behandeld is’, de toevlucht wezen moet der kwijnende conversaties op fluweelen sofa’s en der levendige tête-à-têtes bij marmeren schoorsteenmantels en in vertrouwelijke vensterbanken?

    Maar nu zie ik mijn buitenman een bezoek brengen bij een zijner boeren, en met hem nederzitten bij diens namiddag-koffie-en-boterham, in gezelschap van een koopman die, met een hoog, langwerpig pak op den rug, op den boer reist, en in diepe stilte tegen zijn koffie blaast, terwijl de vrouw en de meiden zich bedenken of er ook wat noodig is. Maar de oudste dochter is naar de stad, en mijn buitenman, die gaarne over de jonge deernen praat, acht de gelegenheid geschikt om te vragen:

    ‘Wel Jantje! heb ik het al, of heb ik het mis, dat je dochter trouwen in het hoofd heeft?’

    ‘Nou, heerschop!’ is zijn woordenrijk antwoord, ‘de lui willen zoo veul eggen; ’t zou er kwed uitzien as we ’t alles leuven wouwen; ik zel niet zeggen dat ze niet rais deur een borst is ansniejen; maar trouwen, zel ik maer zeggen: nien! Dat laikt er niet nee.’

    ‘Heije je nou al bedocht, Trijntje?’ vraagt de koopman.

    ‘Nou jae,’ zeit Trijntje; ‘geef me een kloentje zwart garen.’

    ‘En main, ‘en stuk of vier hemsknoopies,’ zeit de vrouw.

    ‘Ik had verleden najaar al gehoord dat ze met een vrijer te kermis geweest was,’ zegt mijn buitenman, die niets van dien aard gehoord heeft.

    Maar de boer en de vrouw nemen bedenkelijke gezichten aan, die te kennen willen geven dat er te veel dak op ’t huis is, en de landheer vindt het gepast zijn gesprek te veranderen.

    ‘Hebje daar een potlammetje?’ zegt hij, op een klein zwart dier wijzende, dat op de vuurplaat geknield ligt, naast een dikke kat, rood en zwart geplekt.

    ‘Och jae,’ zeit de vrouw; ‘we hebben twee lammetjes van dat ooi, ien witje en ien zwartje, dat dan dut is. Maar ’t iene het ie zóó dat ‘et ‘eboren was likt en opgnapt, maar het zwartje het ie leggen leten; en ie wou ’t niet leten zuigen ook, of we mosten hem vasthouen; en nou leten we ’t dan maer zoo drinken uit ’n trekpotje. ’t Is maer het akelekst dat het overal veuligheid doet.’

    ‘Jae,’ herneemt de boer, ‘en mot meheer de kalven niet rais kaiken?’ En mijnheer staat op en volgt hem naar het hok daar zij zich bevinden.

    ‘Kaik hier; der zijn der drie; twee kuitjes, en ien bulletje; dat iene kuitje is van daag ‘ekomme. Leelijk haar, niet waar meheer!’

    ‘Hij is al heel zwart.’

    ‘Hielkendal, meheer! Maar weetje wat ik zeg? Je mot gien beest om zen haar verachten; ik denk dat ‘et niet past, en dat je der gien zegen op hebbe kenne, zel ik maer zeggen. Je heb mense, die zijn er zoo keurig op, kaik! maar ik zeg dat ‘et niet past; en ik zel dat zwarte kuitje anleggen, zoo goed as dat bonte. En weetje wat ik denk? ’t is nog beter as ‘en hiele witte, want die worden dan skrikkelek van de vliege plaagd, en ze zain ook erg kouwelek; gunder steet er iene, die het een rond jaer met ‘et dek ‘eloopen.’

    ‘Maar as ’t nou eens een rood kuitje was?’

    ‘Jae, dan most ‘et weg; die brandrooie mag ik niet,’ zegt de philozoïsche boer, die geen beest om zijn haar wil verachten, maar wien dit vooroordeel te machtig is. En plotseling het vroeger gesprek weder opnemende, gaat hij ten overstaan van de twee kuitjes en het eene bulletje, die hij beurtelings op zijn hand laat zabberen, voort:

    ‘Nou kaik, je bent best onderricht ook, hoor! En ze had ‘er zinnen wel op ‘em steld ook, zel ik maar zeggen; maar ik en ’t waif hadden gien erge zin-nighaid in de borst, en deerom is er dan ook niet van komme; want Hil is ‘en erg best maidje, kaik, dat laikt er niet nee; ’t is me stiefdochter, maer of was ’t men aigen, ’t kon niet beter zain; en de miester zait dat hai er nooit zoo ientje zien hadde, en zoo erg gnap, zel ik nou maer zeggen, in ’t gien deer hai der in leerd het; en et waif zait dat Hil zoo erg best is voor skrobben en skuren en keezen, en zoo hielkendal gnap in ’t werk, dat ’n best waif zoudie er an had hebbe. Maar jae, ‘k miende den nou, zel ik maer zegge, dat ze zoo’n best maidje is, om reden dat ze ’t zoo in iene hielkendal uit ‘er hoofd ‘zet hadde. ‘k Zaide: Hil! zaid’ ik, das nou iens veur de fiedel met Hain, maer je weete, dat ‘et veur ’t lest is ook. Nou, ik zag ze wel, dat ze erg zuinig keek; maer ik daen of ik ’t niet bespeurde; en ’t ierst dat ie weer weter veur der dreege, zag ik dat zem gnap op zai douwde, en ’t leek wel dat ze zaide: Vaer wil hielken-dal niet van je ofweete. Maer zoo as dat geet, meheer; ’t laikt wel, zel ik maer zeggen, of je niet van mekaer of kenne, as je ’t iens op mekaer begrepen hebbe; ’t was met main en Geesie, dat nou de vrouw van Tak is, krek al ien, in me jonge taid, maer ik was er vaer veul te skrael van skaiven, en nou heb ik an Marijtje ‘en erg best waif. Nou, maer ik zagge den wel, dat et met Hil en Hain niet goed of zou komme, en ik zaide teugen ’t waif: Waif, zaide ik, je kent ‘et nog wel rais anzien, maer as ’t nee main zin geet, dan mot de borst weg. Maer de vrouw miende dat ie zoo erg best in ’t werk was, en dat we hem niet allienig wegzende mogge omdat ie rooms kattelijks is, want dominé hadde zaid dat we draegzaem met de roomse wezen motte, en ‘et waif het bij de miester weund, en die weet ‘et den erg best, en die zaide ook zoo. Maer ik zeg: nou Marijtje, de borst mot weg, zeg ik; of je nou hoog of leeg danse, de borst mot nag weg; want ik bin allan baas bleven in ‘et huis, en dat weet ‘et waif ook wel; en deerom, toen ik allan zaide: de borst mot weg, zaide ’t waif: wel nou, leet ie geen, as jai denke dat ’t veur Hil der best is; en zoo is ie ‘geen ook.’

    ‘En wat zei Hil er wel van?’ vraagt de landheer, die als hij uw laatste romans gelezen heeft, o heeren uit de stad! denken moet dat het meisje ten minste eenige teringen gezet heeft.

    ‘Wèl nou, deer wil ik den ook wel leuven dat je Hil voor wezen mot om zoo te doen as zai daen. Ik speurde in de beginne wel dat ‘et er niet an en stond, maer ik zaide: Hil, zaide ik teugen der, nou, leg niet te knaizen ook, maidje, want de borst is ienmael weg, en hai blaift weg. En kaik, ze is weer an ’t keezen ‘geen, en op melkerstaid onder de koeien, krek of niks beurd wazze!’

    En de houten klink wordt opgelicht, en de heldin der historie verschijnt, het helder voorhoofd met het schoone mopje beplooid, het gele jakjen aan, een hengelmand onder den arm, en vroolijkheid en schalkheid in de blauwe oogen; en de landheer geeft haar een vriendelijk kneepjen in de wang, en zegt:
    ‘Zoo Hil, ik zei daar net tegen je vader, dat je zoo’n knappe meid wordt en dat het me verwondert dat je nog niet aan ’t vrijen bent.’

    ‘Vrijen meheer?’ zeit Hil, ‘ik weet niet wat ik liever dee!’ En ze huppelt haastig voorbij, en doet haar moeder bescheid op de boodschappen, en helpt den reizenden koopman in het opladen van zijn pak, en vraagt hem lachend of hij wel weer zou kunnen opstaan, als hij er mee voorover viel.

    ‘Zou je me helpen, Hil,’ vraagt de koopman met een smeekend oog, ‘as je me zag leggen?’

    ‘Deer zou ik rais over denken!’ zegt de vroolijke Hil. ‘Dag Doris! Wel thuis, maet! Val maer niet, hoor! En as je valt, Doris! al is ’t ook nog zoo leet in den evend…’

    ‘Nou; wat dan?’ vraagt de koopman met een sentimenteelen lach.

    ‘Kom den hier, hoor; den zel ‘k je ophelpen. Dag Dorisbuur!’
    http://www.dbnl.org/tekst/beet005wvan01_01/beet005wvan01_01_0015.php

    Liked by 1 persoon

  2. Kijk nu wordt het interessant, ik kan me alleszins voorstellen dat u geraakt wordt door de kneuterigheid en idd de woordenrijkdom die nagenoeg is verdwenen of vervangen door het engels of afk. …
    Zelf lees ik ook regelmatig stukken van… o nee ik ga er niet op vooruitlopen… 😉

    Behoort dit boek tot uw favorieten uit die periode of heeft u nog een verrassing in petto…?

    In ieder geval zal ik uw raad tot (her) lezen opvolgen…

    Like

  3. De Schrijvende Rechterr

    @HR
    De schrijver wil de lezer ervan overtuigen dat het leven op het platteland in de winter (destijds nog bitterkoud en wegen waren soms maandenlang niet begaanbaar) zo slecht nog niet is. De soireegaande stedeling denkt da thet saai is in zo’n dorp waar niks gebeurd, terwijl hij zich in de stad kan vergapen aan de Emeline-soap, maar ook op de boerenbuiten zijn er vermakelijke geschiedenissen.

    @Touwtje
    De Camera is een an DSR’s favorieten, maar ook de Pastorie van Mastland en de Studententypen van Klikspaan zijn DSR dierbaar. Er volgen nog fragmenten. En dan zij er nog de pulp-epigonen in de jaren twintig en dertig – plattelandstoestanden, altijd met veel dominees, op matig papier. Neveldijk, Morschdaelsche Menschen.

    Liked by 1 persoon

      1. De Schrijvende Rechter

        ‘Moeten we maar beter de hele Ikjes-wijkplaats niet schrappen?’ – Pfffff……als je denkt dat dat na een slap weekje aan de orde is, dan moet je dat vooral doen.

        Aan zo’n Kodak heeft DSR wel herinneringe, zij het als curiositeit.

        Like

  4. De Schrijvende Rechter

    Het volgende fragment: een waarschuwing tegen wilde vrouwen uit ‘Studententypen’ van Klikspaan:

    Als ik maar eens Student ben! zei de kwak. En ziet, nu is hij Student en wordt door de wafelmeiden met opene armen ontvangen, zit op hun schoot, proeft hunne zoenen en geniet al die heerlijkheden, waarvan hij zoo lang en zoo zalig gedroomd heeft. Ach! hoe valt het hem tegen, als hij de gemeene kermis-Venussen van naderbij dan van tien schreden afstands kennen leert! Wie had het ooit durven denken? Het lieve, het poezele, het aanvallige Vriezinnetje is noch lief, noch poezel, noch aanvallig; zij is ruw, hardhandig en astrant. Het zweet loopt haar tappelings langs het voorhoofd, hare konen zijn slordig met grof blanketsel – iets als tand-opiat – besmeerd, haar boezelaar is met allerhande likeur bedropen, aan hare lippen plakken kruimels als aan die van bestje van Meurs, hare handen zijn kleverig, en als gij haar op uwe knieën trekt bemerkt gij dat zij naar rook stinkt. Daarbij komt nog, dat zij koel en onverschillig van harte is; dat haar stoeijen, haar ginnegappen, haar flikkeflooijen, hare vrolijkheid, hare zoogenaamde geestigheden, dat dit alles van buiten is geleerd, ja! haar zelfs vermoeit en verveelt; dat het maar eene rol is, die zij speelt om klanten te lokken, en zij niet eens de misdadige, satanische aantrekking bezit van andere lage vrouwspersonen; waarom dan ook het wafelmeidenloopen niets anders dan een zouteloos, een flaauw, een kinderachtig vermaak is, een vermaak, dat niet eens slecht durft wezen. En daarom: zoodra ik ooit een zoontje naar de Hoogeschool zend, raad ik hem stellig:

    Jongen, ga vooral naar de wafelkramen en maak kennis met de Vriezinnetjes; er valt niets ergers bij op te loopen dan een pak slagen, binnen weinige nachten zijt gij tot walgens toe verzadigd en de duivel des wafeldoms kwelt u niet langer. Ga dan ook den volgenden morgen, als gij uitgeslapen zijt en al de anijsjes en de curaçaotjes van Mina, van Anneken, van Grietje, van Louise, – Louise! – uitgedampt zijn, en u ingenomenheid genoeg is overgebleven om nog iets in de meiden te vinden of opgewondenheid om er iets achter te zoeken, – ga dan, wanneer de klok twaalf geslagen heeft, voorbij hare planken tempels kuijeren en aanschouw uwe opgedrilde vlindertjes van den vorigen avond, van den laten nacht, op klompen, in een morsigen onderrok, eene zwarte ondermuts en een gezigt, rimpelig, vakerig en geel als een zeemelap, terwijl zij bezig zijn hunne half geslotene woning uit te dweilen, het hoofd omlaag en ik zal niet zeggen hoeveel onbevalligs in de lucht; of wel, loer den anderen kant uit en neem haar waar op hare schuit, ploeterende in de waschkuip! werp dan ook een blik diep in hare houten loods, waar het huisgezin zich zit te voederen, en zoo gij bespeuren kunt, door den schemer heen, die er heerscht, welke soort van Muzenzonen het maal der Nimfen deelt en van hare pannekoeken mede eet, –

    Voorwaar, voorwaar! gij zijt genezen,

    Of even flaauw als een van dezen! –

    En nu roep ik nog eens: ja! de Vriessche wafelmeid, zij is de waardige genius der kermispret, even dol, even woest, even onbezonnen, even smakeloos en grof; en dat alles, niet omdat hare inborst zoo driftig, haar bloed zoo heet, haar gestel zoo dartel is, maar alleen dewijl haar ambacht, hare broodwinning dit gebiedt, haar beroep het medebrengt zich aldus aan te stellen; om dezelfde reden in één woord, waarom de kiezentrekker op zijn wagen snakerijen verkoopt en de pias van Blondin over zijn hoofd buitelt. En desniettegenstaande blijft men nog altijd menschen vinden, die zich door hare bekoorlijkheden laten inpakken en van het gebak niet vies zijn! De ondervinding is eene heilzame zaak, maar – hoe jammer! – eene aaneenschakeling van dwaasheden voert er ons heen.

    Gelijk zekere kleine slak, die de rozen bezoedelt, zoo bederft de kermis ons voorjaar. Gelijk de paardebloem naast de sering, prijkt de wafelmeid in den ruiker der lente; want eene bloem is zij – maar eene bloem die stinkt.
    http://www.dbnl.org/tekst/knep001stud04_01/knep001stud04_01_0037.php

    Liked by 1 persoon

  5. Henk

    Kan de Herfstgast niet gelijk to the point komen? Het bespaart den lezer heel wat oninteressant gebabbel c.q. makkelijke citaatjes (zonder onderbouwing) vanaf de zijlijn.

    Like

  6. De Schrijvende Rechter

    Er is altijd een expliciete pointe. DSR laat gewoon eens zien wat ie graag leest en wat ‘m dus inspireert. Gewoon omdat ’t er hier de plaats voor is. En niks geen gemakkelijke citaatjes, dit moet je weten te selecteren en vinden.

    Like

Dat wat ver is, is ook vlakbij te vinden

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.